Is een webwinkel detailhandel in de zin van een bestemmingplan?

Ondernemers met een webwinkel verrichten hun bedrijfsactiviteiten veelal vanuit huis of een kantoorpand. Volgens de meeste bestemmingsplannen is echter voor publiek toegankelijke winkels vereist dat deze de bestemming ‘detailhandel’ hebben. Kan een ondernemer met een webwinkel zich vestigen op een locatie, ook al is er geen sprake van de bestemming detailhandel op deze locatie?

Ten aanzien van een webwinkel vanuit huis heeft de Raad van State al eerder (op 13 april 2011)geoordeeld dat de gemeente Abcoude aan een ondernemer met een webwinkel in fietsen een dwangsom mag opleggen om de verkoop van fietsen uit de eigen woning te beëindigen. De ondernemer zou door middel van zijn webwinkel detailhandel vanuit zijn woning bedrijven, hetgeen niet past binnen het bestemmingsplan, omdat er sprake was van en "woonbestemming".

Op 27 december 2011 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch een vergelijkbaar oordeel gegeven over een webwinkel, die werd gedreven vanuit een kantoorpand. De zaak is als volgt.

Een ondernemer uit Schijndel heeft een webwinkel voor alcoholhoudende dranken. De webwinkel is gevestigd op een bedrijventerrein in Schijndel, dit tot groot ongenoegen van een brancheorganisatie voor slijterijen. Deze brancheorganisatie vraagt dan ook aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schijndel om handhavend op te treden. Volgens de brancheorganisatie is de uitoefening van de webwinkel in strijd met het geldende bestemmingsplan. De webwinkel is namelijk gevestigd op een perceel dat volgens het bestemmingplan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” heeft.

Het college besluit dat zij niet bevoegd is om handhavend op te treden, omdat er volgens het college geen sprake is van detailhandel als bedoeld in het bestemmingsplan. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat ter plaatse geen goederen te koop worden aangeboden en geen goederen worden geleverd aan klanten. De aflevering geschiedt namelijk bij de klanten thuis. Op de locatie zelf is sprake van opslag met een ondersteunend kantoor. Er is geen showroom ingericht, aan de buitenzijde wijst niets op de aanwezigheid van het bedrijf (geen reclamevoering), de buiteninrichting is niet ingericht op het ontvangen van klanten en in de plaatselijke media zijn geen berichten/advertenties geplaatst die wijzen op verkoop van goederen aldaar. Verder is het college uit onderzoek gebleken dat geen mogelijkheden worden geboden om ter plaatse goederen te bezichtigen, te kopen, te betalen of mee te nemen.

De brancheorganisatie voor slijterijen laat het er niet bij zitten en stelt beroep in bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch. De rechtbank hecht belang aan het verkoopproces van de webwinkel. Volgens dit proces plaatst de klant de bestelling via de webwinkel, waarna de betaling wordt gecontroleerd en de bestelling aan de klant wordt bevestigd. De bestelling komt bij de ondernemer binnen, waarna de bestelde producten in het magazijn op het perceel van de webwinkel worden verzameld, verpakt en ter verzending aan de klant worden aangeboden aan TNT-post. De rechtbank gaat er dus van uit dat op de bedrijfslocatie van de ondernemer via de webwinkel goederen aan particulieren worden aangeboden, de via deze webwinkels gedane bestellingen worden geaccepteerd, de betaling van deze goederen wordt gecontroleerd, de bestelde goederen worden verzameld, verpakt, verzendklaar gemaakt en ter verzending aangeboden. Daarmee is er volgens de rechtbank sprake van detailhandel, hetgeen niet is toegestaan binnen de bestemming "bedrijfsdoeleinden".

De rechtbank oordeelt dat het college overeenkomstig het verzoek van de brancheorganisatie voor slijterijen handhavend had moeten op treden tegen de ondernemer met de webwinkel in zijn bedrijfspand. De rechtbank heeft overigens niet geoordeeld dat een webwinkel per definitie detailhandel is. Dit hangt af van de feitelijke activiteiten die de ondernemer verricht op het betreffende perceel. Voorts is van belang of er sprake is van ruimtelijke uitstraling van de bedrijfsactiviteiten.

Gert Kramer, advocaat.
Rosie de Weerd, advocaat.

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 27 december 2011, LJN BV0158