Te hard rijden op kosten van de werkgever

Bepaalde, aan werknemers opgelegde verkeersboetes komen in het kader van de werknemersbescherming voor rekening van de werkgever. De werkgever is over het algemeen niet gerechtigd deze boetes op zijn werknemers te verhalen. Zo besliste in ieder geval het Gerechtshof Den Haag onlangs nog.

Lees hier het volledige artikel

Naschrift bij “Te hard rijden op kosten van de werkgever”

Bij het schrijven van mijn artikel over het verhalen door de werkgever van door werknemers tijdens werktijd begane snelheidsovertredingen zag het er voor de werkgever nog somber uit. Het hof Den Haag was ten slotte van mening dat de werknemersbescherming zover gaat dat de werkgever niet gerechtigd is om de aan zijn werknemers opgelegde boetes voor snelheidsovertredingen op hen te verhalen. Dit zou volgens het Hof alleen anders zijn als er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer.

Inmiddels heeft de Hoge Raad zich op 13 juni 2008 over deze kwestie uitgelaten. De Hoge Raad blijkt kort samengevat een stokje te steken voor deze vergaande werknemersbescherming en oordeelt dat de werknemer zelf verantwoordelijk is voor de aan hem opgelegde verkeersboetes ongeacht of sprake is van een lease- of bedrijfsauto, dan wel een eigen auto.

De Hoge Raad gaat allereerst in op de reden waarom sommige verkeersboetes bij de werkgever terecht komen en andere niet, terwijl het in beide gevallen om boetes gaat die begaan zijn door de werknemer. De conclusie luidt dat sommige boetes alleen vanwege het vergemakkelijken van de inning bij de werkgever terecht komen. Als de bestuurder van een auto namelijk niet direct geïdentificeerd kan worden, wordt de boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) opgelegd aan de kentekenhouder van de auto. Hier is bijvoorbeeld sprake van als de snelheidsovertreding door een flitspaal is vastgelegd.

Niets wijst er echter op dat de wetgever met deze mogelijkheid in de WAHV voor ogen heeft gehad dat de boete vervolgens niet door de werkgever op de werknemer verhaald zou kunnen worden. Als dit wel het geval zou zijn geweest, zou een werknemer met een auto van de zaak immers worden bevooroordeeld ten opzichte van een werknemer die in zijn eigen auto rijdt, aangezien deze werknemer wel als bestuurder geïdentificeerd kan worden en dus de boete rechtstreeks zal ontvangen. De Hoge Raad acht voor dit verschil geen rechtvaardiging aanwezig. Met andere woorden de werkgever draait niet op voor de overtredingen die door werknemers zijn begaan en kan de boetes ook in het geval van kleine snelheidsovertredingen op de werknemer verhalen.

Er bestaat echter één uitzondering. Een door de werknemer begane snelheidsovertreding blijft voor rekening van de werkgever als hij heeft bevorderd dat de werknemer te hard rijdt. Hierbij kan gedacht worden aan een te strak aan de werknemer opgelegd tijdschema, zoals bijvoorbeeld het binnen 1 uur rijden van een ritje Haarlem-Maastricht.

Annelies de Graaf, advocaat

Pesman Advocaten
Haarlem, Alkmaar