Relativiteitseis Crisis- en herstelwet

Bestuursrecht. Kort geleden heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan waarin een beroep op het relativiteitsvereiste ex artikel 1.9 Crisis- en herstelwet (Chw) is afgewezen. Op grond van dit artikel kan een besluit niet worden vernietigd in de gevallen dat er weliswaar sprake is van schending van een wettelijke regel of een beginsel, maar het belang van degene die zich daarop beroept niet wordt beschermd door de geschonden regel of het geschonden beginsel.

Wat was er aan de hand? De Raad van de gemeente Hulst (Zeeuws-Vlaanderen) heeft bij besluit van 17 februari 2011 het bestemmingsplan Kloosterzande Oost, waarop de Chw van toepassing is, vastgesteld. Het plan voorziet onder meer in de bouw van 72 nieuwe woningen. Daarnaast geldt voor een deel van het plan een zoge-noemde wijzigingsbevoegdheid, waarmee in de toekomst, via een eenvoudige procedure, een twintigtal extra woningen in het plangebied zouden kunnen worden bestemd.

Appellanten, een vereniging tot bescherming van cultuurmonumenten en enkele omwonenden, hebben hun beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan onder andere gericht tegen deze wijzigingsbevoegdheid. Zij betogen dat er in het geheel geen behoefte is aan de voorziene extra woningbouw bovenop de reeds geplande 72 woningen. De Afdeling kan dit standpunt volgen en overweegt dat de Raad onvoldoende heeft aangetoond dat er concrete behoefte is aan de extra woningen die via de wijzigingsbevoegdheid kunnen worden gecreëerd. De Afdeling verklaart het beroep (in zoverre) gegrond vanwege onzorgvuldig handelen van de Raad.

Door de ontwikkelaars van de (geplande en eventueel mogelijk te maken) woningen in het plangebied wordt aangevoerd dat het bestreden besluit ondanks de geconstateerde schending in stand moet blijven, omdat de relativiteitseis van de Chw aan vernietiging in de weg staat. Naar hun mening worden de belangen van de vereniging en de omwonenden, te weten bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden en behoud van een goed woon- en leefklimaat, niet beschermd door de geschonden norm (het gebrek in motivering van de wijzigingsbevoegdheid).

De Afdeling overweegt dat de woningbouw die via de wijzigingsbevoegdheid kan worden toegelaten, de cultuurhistorische waarden kan aantasten. Ook voor de omwonenden geldt dat zij nadelige effecten kunnen ondervinden van de eventuele extra woningbouw die door de wijzigingsbevoegdheid wordt mogelijk gemaakt. De belangen van de vereniging en de omwonenden worden derhalve wel degelijk door de wijzigingsbevoegdheid geraakt. De geschonden norm strekt aldus tot bescherming van hun eigen belangen. Een beroep op artikel 1.9 Chw, zoals in casu gedaan door de ontwikkelaar, kan om voornoemde reden dan ook niet slagen. De Afdeling vernietigt het vaststellingsbesluit voor wat betreft de wijzigingsbevoegdheid.

Sinds de inwerkingtreding van de Chw heeft de Afdeling zich regelmatig over artikel 1.9 Chw gebogen, in het bijzonder ter beantwoording van de vraag in hoeverre een geconstateerde schending van een regel of beginsel, is te herleiden tot een eigen belang van de betreffende appellant. Deze uitspraak vorm weer een nieuw stukje van deze bijzonder interessante juridische puzzel. Bovendien kan een situatie als in deze zaak zich vaker voordoen, aangezien een wijzigingsbevoegdheid met enige regelmaat in een bestemmingsplan wordt opgenomen.

Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 18 januari 2012, zaaknr. 201105439

Mark Balder, advocaat