Proceskostenvergoeding bij telefonisch horen
Eén van de belangrijkste rechten voor een belanghebbende (een particulier of ondernemer die door een besluit van de overheid direct wordt geraakt) in het bestuursrecht is het recht om te worden gehoord. Denk hierbij aan zittingen van de bestuursrechter of van bezwaarcommissies, waar mondeling het standpunt kan worden toegelicht. Een belanghebbende kan zich laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandverlener, zoals een advocaat. In het bestuursrecht is dit overigens niet verplicht, maar wel aan te raden, omdat het bestuursrecht van tijd tot tijd erg ingewikkeld kan zijn.
Krijgt de belanghebbende gelijk en is er sprake van bijstand door een professionele rechtsbijstandverlener, dan moet het bestuursorgaan een proceskostenvergoeding vaststellen. Deze vergoeding, die een deel van de gemaakte kosten dekt, wordt berekend via een puntensysteem dat in het huidige Besluit proceskosten bestuursrecht staat. Het totaal behaalde aantal punten wordt vermenigvuldigd met € 218,- in de bezwaarfase en € 437,- in de beroepsfase. Het verschijnen bij een zitting, levert één punt op.
Gewoonlijk vinden hoorzittingen in de bezwaarfase “fysiek” plaats. Dit betekent dat er een zitting wordt belegd, waarbij de belanghebbende, een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan en de commissieleden aanwezig zijn. Er zijn ook bestuursorganen die gebruik maken van telefonisch horen. In dat geval vindt er een telefoongesprek (soms ook een conference call) plaats tussen een lid van de commissie en de gemachtigde van de belanghebbende, waarin een mondelinge toelichting kan worden gegeven op het ingediende bezwaarschrift.
De vraag die dan opkomt, is of een telefonische hoorzitting, net als het (fysiek) verschijnen ter zitting, een punt moet opleveren. Enerzijds kan worden betoogd dat ook telefonisch horen voorbereiding en uitvoering vergt en dus kosten meebrengt. Anderzijds is een telefonische hoorzitting minder belastend (geen reistijd, kortere duur). De kosten zijn dus lager en beter te dragen. De wetgever heeft bij de behandeling van het Besluit proceskosten daarom overwogen dat telefonisch horen niet gelijk hoeft te worden gesteld aan “fysiek horen”.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 8 februari jl. het verlossende antwoord gegeven in een geschil tussen een niet nader genoemde appellant en de Korpsbeheer van de politieregio Amster-dam-Amstelland. De korpsbeheerder had het bezwaar van appellant gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding toegekend, maar niet voor het telefonisch horen. Appellant ging hiertegen in beroep bij de Rechtbank Amsterdam, maar werd in het ongelijk gesteld. In hoger beroep krijgt hij evenwel gelijk van de Afdeling.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de beroepsinstantie voor o.a. sociale zekerheidsbesluiten) (LJN: BU6407) is de Afdeling van oordeel dat telefonisch horen kan worden gelijkgesteld met het bijwonen van een zitting als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit betekent dat de Korpsbeheerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het telefonisch horen.
Met deze uitspraak wordt een einde gemaakt aan een discussie die al enkele jaren is gevoerd en waarover verschillende rechtbanken verschillend hebben geoordeeld. De uitkomst van de discussie is positief voor een belanghebbende: ook het telefonisch horen van een professionele rechtsbijstandverlener levert een punt op voor de proceskostenvergoeding.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 8 februari 2012, zaaknr. 201109143
Mark Balder, advocaat
