Fouten gemeente geen aanleiding tot schadevergoeding projectontwikkelaar

Een projectontwikkelaar vordert schadevergoeding van de gemeente, omdat de gemeente bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan tot twee keer toe een publicatiefout maakt, die voor een flinke vertraging in de ontwikkeling hebben gezorgd. Volgens de projectontwikkelaar heeft de gemeente daarmee onrechtmatig gehandeld en moet zij de (vertragings-) schade ad bijna € 150.000,= vergoeden.

Wat was er precies aan de hand? De projectontwikkelaar had per 30 maart 2001 een aantal percelen verworven met de bedoeling de percelen te verkavelen in diverse bedrijfspercelen van ongeveer 1500 m² en deze kavels te verkopen. De gemeente had haar medewerking aan de ontwikkeling van het bedrijventerrein toegezegd en legde daartoe op 1 augustus 2002 een ontwerpbestemmingsplan, waarbij deze percelen een bedrijfsbestemming zouden krijgen, ter inzage. Bij de terinzagelegging verzuimde de gemeente echter om mededeling te doen in de Staatscourant (een vereiste ex artikel 23 lid 2 WRO (oud)). De gemeente moest het ontwerpbestemmingsplan vervolgens opnieuw ter inzage te leggen, hetgeen tot de eerste vertraging in de procedure leidde.

Nadat de bestemmingsplanprocedure was afgerond werd – op verzoek van een tweetal belanghebbenden – bij uitspraak van 6 april 2004 door de Raad van State geoordeeld dat de gemeente ten onrechte niet in de kennisgeving van het vastgestelde bestemmingsplan had vermeld dat het bestemmingsplan op onderdelen was gewijzigd ten opzichte van ontwerpplan (een vereiste ex artikel 27 lid 2 WRO (oud)). Het gevolg van deze fout was dat de bestemmingplanprocedure opnieuw moest worden doorlopen, hetgeen opnieuw een fikse vertraging in de ontwikkeling van het bedrijventerrein opleverde.

Uiteindelijk is het bestemmingsplan op 2 mei 2006 onherroepelijk geworden; bijna vier jaar (!) na de eerste terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De projectontwikkelaar meent dat de gemeente door tot tweemaal toe niet aan haar wettelijke (procedurele) verplichtingen te voldoen onrechtmatig heeft gehandeld.

Hoewel er voor de vordering van de projectontwikkelaar zeker wat te zeggen valt, wordt de vordering zowel door de rechtbank als in hoger beroep door het gerechtshof afgewezen. De reden daarvoor is – kort samengevat – dat de gemeente weliswaar in strijd met wet heeft gehandeld waardoor schade is ontstaan, maar dat deze procedurele voorschriften uit de WRO niet tot doel hebben om eventuele vertragingsschade van een projectontwikkelaar te voorkomen. Deze procedurele normen uit de WRO zijn er immers niet om de projectontwikkelaar te beschermen tegen de schade zoals hij stelt die te hebben geleden, maar om de belanghebbende te beschermen, zodanig dat zij tijdig bezwaar en beroep tegen het bestemmingsplan kan indienen. Dit zogenaamde relativiteitsvereiste (ex artikel 6:163 BW) staat in de weg aan toewijzing van de vordering tot schadevergoeding.

Dat er eventuele andere (ongeschreven) zorgvuldigheidsnormen door de gemeente zouden zijn geschonden op grond waarvan de schade van de ontwikkelaar toch voor vergoeding in aanmerking zou komen (vgl. P-G Langemeijer in HR 10 november 2006. NJ 2008, 491), was volgens het Hof onvoldoende feitelijk aangetoond. Dat de overheid gehouden is tot een correcte en tijdige besluitvorming jegens alle belanghebbenden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, is onvoldoende om in dit geval te spreken van schending van een algemene (ongeschreven) zorgvuldigheidsnorm, meent het Hof. Daar komt bovendien bij – een overweging ten overvloede – dat niet is gebleken dat als de gemeente het bestemmingsplan juist had gepubliceerd, het bestemmingsplan eerder onherroepelijk zou zijn geworden en de ontwikkelaar de schade niet zou hebben geleden.

Gerechtshof Arnhem 17 januari 2012, LJN BV1241.

W. den Harder, advocaat