Eigenaar, niet zijnde vergunninghouder, belanghebbende bij intrekking bouwvergunning

Voor bepaalde activiteiten bestaat een vergunningplicht. Dit betekent dat de activiteit alleen is toegestaan als daarvoor een vergunning is verleend. Een voorbeeld is de vroegere bouwvergunning, tegenwoordig genoemd “omgevingsvergunning voor bouwen”.

In bepaalde gevallen kan een vergunning worden ingetrokken. Het gevolg van intrekking is dat de vergunde activiteiten ongedaan moeten worden gemaakt. In het geval van een bouwvergunning/omgevingsvergunning voor bouwen betekent dit dat het gebouwde in beginsel weer moet worden verwijderd.

Stel nu dat de eigenaar van een bouwwerk niet dezelfde is als degene aan wie de vergunning is verleend? Wie moet dan procederen tegen een eventuele intrekking van de vergunning? De eigenaar of de vergunninghouder? Recentelijk heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak deze vraag beantwoord.

Het College van B&W van de gemeente Zeevang had in het verleden bouwvergunningen verleend aan twee aanvragers, hier te noemen A en B. Met deze bouwvergunningen hadden A en B onder andere een veldschuur voor paarden, een mestbak en een rijbak gebouwd. Op een bepaald moment hebben A en B het perceel inclusief de aanwezige vergunde bouwwerken, verkocht aan een zekere C, die sindsdien een stoeterij exploiteerde.

In maart 2010 heeft het College de destijds aan A en B verleende bouwvergunningen ingetrokken. C kon zich hiermee uiteraard niet verenigen en maakte bezwaar. Het College verklaarde C niet-ontvankelijk, omdat C slechts de eigenaar van de grond was en geen vergunninghouder (dat waren A en B). C had in de ogen van het College geen direct belang bij de intrekking en was geen belanghebbende. In beroep bevestigde de Rechtbank Haarlem dit standpunt en overwoog daarbij dat de bouwvergunning na het bouwen was “uitgewerkt” en dat C vrijstond opnieuw vergunning voor de bouwwerken aan te vragen.

In hoger beroep vernietigt de Afdeling de uitspraak van de Rechtbank. In de ogen van de Afdeling valt niet in te zien om welke reden C als eigenaar van het perceel, geen direct belang zou hebben bij intrekking van de bouwvergunningen. C exploiteert immers de genoemde stoeterij. Dat wordt onmogelijk gemaakt wanneer de faciliteiten van de stoeterij moeten worden verwijderd. De bouwvergunning werkt in die zin wel degelijk door. De vraag of iemand belanghebbende is, moet worden beantwoord aan de hand van de gevolgen die de intrekking heeft. Het al dan niet ongedaan maken van de gevolgen middels een nieuwe vergunning, is in dat verband niet relevant. C is dus wel degelijk belanghebbende bij de intrekking van de bouwvergunningen.

Deze uitkomst is niet meer dan logisch te noemen. Het is wel bevreemdend dat de Rechtbank hier de plank lijkt te hebben misgeslagen, met name ter zake van het “uitgewerkt zijn” van de vergunning.

Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 29 februari 2012, zaaknr. 201106459.

Mark Balder, advocaat