Bouwwerk of geen bouwwerk? Gebouw of geen gebouw?
In het ruimtelijk bestuursrecht staat een aantal begrippen centraal. Eén daarvan is het begrip “bouwwerk”. De vraag of een object (bijvoorbeeld een schuur of een dierenhok) als bouwwerk moet worden aangemerkt, is van groot belang. Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het bouwen van een bouwwerk namelijk in beginsel vergunningplichtig. Met andere woorden, is er geen sprake van een bouwwerk, dan is er ook geen omgevingsvergunning voor bouwen (de vroegere bouwvergunning) benodigd.
In vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is uitgemaakt dat de definitie van het begrip bouwwerk gelijk is aan de definitie daarvan in het model van de bouwverordening van de VNG Een bouwwerk wordt daarin omschreven als “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.
Binnen het begrip bouwwerk, wordt een onderscheid gemaakt tussen “gebouwen” en “bouwwerken” geen gebouw zijnde. Artikel 1 lid 1 sub c Woningwet omschrijft een gebouw als “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. Het onderscheid is bijvoorbeeld van belang in bestemmingsplannen, waarin kan worden bepaald dat op bepaalde percelen geen gebouwen zijn toegelaten, maar wel bouwwerken geen gebouw zijnde.
Bij tijd en wijle dienen zich zaken aan waarin door de betreffende bestuursrechter moet worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van een bouwwerk, of in hoeverre een bouwwerk moet worden aangemerkt als gebouw. Toevalligerwijs zijn er kort na elkaar twee zaken gewezen waarin deze vragen voor twee specifieke voorbeelden zijn beantwoord. De Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft zich op 16 januari 2012 uitgelaten over een bouwwerk. De Afdeling deed dit op 25 januari 2012 over een gebouw.
Bij de Rechtbank Zwolle-Lelystad lag de vraag voor of het College van B&W van de gemeente Kampen terecht had besloten dat twee recreatiewoonschepen niet vergunningplichtig in de zin van de Wabo zijn, nu dergelijke schepen niet kunnen worden aangemerkt als een bouwwerk. De schepen zijn in een betonnen bak geplaatst, die op zijn beurt met touwen aan afmeerpalen is bevestigd. Aldus meent het College dat de schepen niet met de grond zijn verbonden en dus geen bouwwerken zijn. De Rechtbank maakt korte metten met dit standpunt en stelt vast dat de constructie van de schepen is bedoeld voor gebruik ter plaatse. Gelet op de constructie, de verbondenheid met de grond en de plaatsgebondenheid, moeten de schepen worden aangemerkt als bouwwerk en dus tevens als vergunningplichtig op grond van artikel 2.1 lid 1 sub a Wabo.
De Afdeling zag zich geconfronteerd met de vraag of zogeheten luchtwassers ten behoeve van een varkensstal wel of niet waren toegestaan op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voor een impressie van een luchtwasser, klik hier. In dit plan was bepaald dat achter de betreffende stal slechts bouwwerken geen gebouw zijnde mogen worden gebouwd. De Afdeling meent dat een luchtwasser zodanig is ingericht dat deze niet voor mensen toegankelijk is. Zo is er geen toegangsdeur, maar zal de zijkant van de luchtwasser moeten worden verwijderd voordat toegang tot de binnenruimte kan worden verkregen. Hierdoor is de luchtwasser niet toegankelijk voor mensen. Aldus kan de luchtwasser in de ogen van de Afdeling niet worden aangemerkt als een gebouw ex artikel 1 lid 1 sub c Woningwet.
Beide uitspraken vormen een verheldering van de reikwijdte van de begrippen bouwwerk en gebouw. Bovendien kunnen deze uitspraken weer aanknopingspunten bieden voor vergelijkbare zaken.
Rechtbank Zwolle-Lelystad 16 januari 2012, LJN: BV2137
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zaaknr. 201106871/1/A1
Mark Balder, advocaat.