Belangengroeperingen, wel of geen belanghebbende?
Er bestaan in Nederland veel zogenoemde belangengroeperingen. Voorbeelden hiervan zijn landelijk bekende organisaties als Natuurmonumenten of de Vogelbescherming. Daarnaast zijn er ook soortgelijke lokale organisaties, zoals een dorpsvereniging die bijvoorbeeld de dorpskern authentiek wil houden. In de media worden dergelijke organisaties soms afgeschilderd als “procedeerclubs”, die alleen maar plannen willen vertragen. Mede in dit licht is een aantal jaren geleden in de rechtspraak een strengere lijn ingezet jegens deze organisaties. Hiermee werd getracht het kaf enigszins van het koren te scheiden.
Voor belangengroeperingen geldt dat de collectieve en algemene belangen die zij volgens hun doelstellingen en hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen, ook als hun belangen worden aangemerkt. Met andere woorden, als een belangengroepering volgens haar statuten een bepaald belang (of belangen) nastreeft en dat ook met feitelijke werkzaamheden vormgeeft, dan kan zij als belanghebbende deelnemen aan een procedure bij de bestuursrechter. Er wordt door de rechter streng getoetst aan de omschrijving van de statutaire doelstellingen. Een te algemene doelstelling wordt in beginsel niet toegelaten.
Op 15 februari 2012 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak waaraan twee lokale belangengroeperingen deelnamen, de “Stichting Baanstee Noord, NEE!” uit Purmerend en de “Stichting Behoud Waterland” uit Broek in Waterland. Beide stichtingen hebben als statutaire doelstelling onder meer de bescherming en het behoud van het milieu, meer specifiek flora en fauna. Zij kwamen op tegen een ontheffing Flora- en faunawet die de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie had verleend aan het College van B&W van de gemeente Purmerend ten behoeve van de realisering van een woonwijk.
In de ogen van de Staatssecretaris waren de beide stichtingen geen belanghebbende, omdat uit de statuten niet kon worden opgemaakt dat de stichtingen de belangen van de diersoorten waarop de ontheffing zag, behartigden. In dat verband verwees de Staatssecretaris naar een eerdere uitspraak van de Afdeling (31 maart 2011, zaaknr. 201102308/1/H1), waaruit naar voren leek te komen dat specifiek moet worden benoemd van welke diersoorten de belangen worden behartigd.
De Afdeling is van oordeel dat het stellen van de eis dat in statuten moet blijken voor welke diersoorten wordt opgekomen, in strijd is met datgene wat de wetgever bij de totstandkoming van de Awb voor ogen heeft gehad. Uit de statuten van beide stichtingen blijkt in de ogen van de Afdeling genoegzaam dat de belangen die zij nastreven, worden geraakt door de ontheffing. Voorts voeren beide stichtingen relevante feitelijke werkzaamheden uit, zoals het verspreiden van drukwerk en het organiseren van bijeenkomsten. De Afdeling oordeelt dat beide stichtingen aldus belanghebbende zijn.
Deze uitspraak schept opnieuw enige duidelijk over de vraag wanneer belangengroeperingen belanghebbende zijn. Positief voor deze groeperingen is in ieder geval dat nu in rechte vast staat dat in de statuten niet per diersoort moet worden aangegeven of deze binnen de belangen van de organisatie vallen, maar dat een meer algemene doelstelling als behoud van de lokale flora en fauna, voldoende is. Dit kan ook voor belangengroeperingen die in de toekomst wellicht nog eens moeten procederen, goed nieuws zijn.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 15 februari 2012, zaaknr. 201104545
Mark Balder, advocaat
