Aansprakelijkheid voor loonbelastingschulden als adviseur van een besloten vennootschap?

Het Gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft op 18 januari 2012 een uitspraak gedaan over de vraag of een middellijk bestuurder van een vennootschap - die bij gelegenheid als adviseur optrad voor deze vennootschap toen zich daar betalingsmoeilijkheden voordeden - bestuurdersaansprakelijk kan worden gesteld voor loonbelastingschulden van die vennootschap.

Indien een vennootschap niet meer kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen jegens de Belastingdienst terzake van ondermeer Omzetbelasting en Loonbelasting, geldt kort gezegd dat de bestuurder voor de schulden hoofdelijk aansprakelijk is. Dat betekent aldus dat een bestuurder door de Belastingdienst kan worden aangesproken tot betaling van belastingen en premies indien de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt. Dit vloeit ondermeer voort uit de Invorderingswet 1990.

In de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage Haag was het volgende aan de orde. De betreffende besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: “de BV”) had vanaf eind 2006 moeilijkheden om aangiften loonbelasting elektronisch in te dienen. De Belastingdienst zond uiteindelijk in augustus 2008 de BV aangiftebrieven toe en nodigde de BV uit om aangifte loonbelasting te doen vanaf 1 april 2007 tot en met 31 december 2008. Met behulp van de brieven diende de BV aangiften in over de tijdvakken 1 april 2007 tot en met 28 februari 2009.

Vervolgens legde de Belastingdienst diverse naheffingsaanslagen loonbelasting op. Op 27 februari 2009 deed de BV een melding van betalingsonmacht bij de Belastingdienst. Vanwege tijdsoverschrijding verklaarde de ontvanger de melding van betalingsonmacht niet rechtsgeldig en stelde de betreffende de bestuurder in november 2009 aansprakelijk voor de belastingschulden over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 met de daarover berekende invorderingsrente en boete.

In geschil is vervolgens of de bestuurder terecht en tot het juiste bedrag aansprakelijk is gesteld. Het volgende is hierbij van belang.

Ingevolgde de Invorderingswet 1990 kan een (gewezen) bestuurder aansprakelijk worden gesteld voor belastingschulden die tijdens zijn bestuur zijn ontstaan. In casu is de bestuurder aansprakelijk gesteld voor de  ontbetaald gebleven loonheffing die verschuldigd is geworden over het tijdvak 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007. De vraag is aldus of de betreffende bestuurder  gedurende die periode daadwerkelijk bestuurder van de BV was.

Voor de vraag of iemand bestuurder is zoals bedoeld de Invorderingswet 1990 is niet beslissend of de betreffende ondernemer als zodanig staat ingeschreven het handelsregister.  De betreffende ondernemer heeft gesteld dat hij stond ingeschreven als bestuurder, omdat de feitelijk bestuurder in het verleden was veroordeeld tot een taakstraf reden waarom een voor de bedrijfsvoering noodzakelijke vergunning niet kon worden verkregen. In hoedanigheid van formeel bestuurder kon die vergunning wel worden verkregen.

De ondernemer is gedurende voormeld tijdvak dan ook nimmer feitelijk bestuurder van de BV geweest. Hij heeft nimmer enige beloning of vergoeding gehad en is zich pas weer gaan bemoeien met de zaak toen de belastingproblemen begonnen.  De ondernemer was bestuurder van de houdstermaatschappij van de BV. Hij was derhalve echter wel aan te merken als middellijk bestuurder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ondernemer voldoende aannemelijk gemaakt dat hij  gedurende de periode dat hij als middellijk bestuurder stond ingeschreven niet als zodanig functioneerde. De Ontvanger heeft het tegendeel niet kunnen bewijzen. Wel kan uit stukken worden opgemaakt dat hij als adviseur optrad, maar daaruit kan niet worden geconcludeerd dat de ondernemer bestuurshandelingen heeft verricht. De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat niet kan worden geoordeeld dat de ondernemer gedurende periode 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 bestuurder was als bedoeld in de Invorderingswet 1990. Het Gerechtshof was het met de rechtbank eens en oordeelde dat de aansprakelijkheidstelling niet in stand kon blijven.

Gerechtshof ‘s – Gravenhage, 18 januari 2012, BK-11/00164, LJN: BV2810

Denise van Donk, advocaat